Gebakken lucht?

Op 1 december publiceerde de Telegraaf een artikel onder de titel ‘Windpark op zee gebakken lucht’ (de volledige versie is voor €0,20 te lezen op Blendle). Kort samengevat komt het erop neer dat windparken op zee geen CO2-reductie opleveren omdat warmte-krachtinstallaties (WKK) minder draaien. Dat klinkt onlogisch, want wat hebben de WKK-installaties te maken met windenergie? Daarom een snelle factcheck van een aantal uitspraken in het artikel. Ofwel: waarom de echte gebakken lucht in dit verhaal het artikel in de Telegraaf is.

“In deze [WKK] installaties verdwijnt de warmte die vrijkomt niet, zoals in andere centrales, maar wordt nuttig gebruikt.”

Dat klopt. In warmte-krachtinstallaties wordt een groot deel van de warmte die vrijkomt bij de elektriciteitsproductie nuttig gebruikt, bijvoorbeeld als stoom in een industrieel proces of om een glastuinbouwkas te verwarmen. Dat kan (afhankelijk van het rendement) een aanzienlijke besparing opleveren vergeleken met het apart produceren van elektriciteit in een centrale en warmte in een ketel, zoals hieronder geïllustreerd is.

werking-wkk

“De miljarden kostende windparken op zee, die moeten worden aangelegd vanwege het vorig jaar gesloten Energieakkoord, leveren ons land geen enkel CO2-voordeel op.”

De CO2-uitstoot van windenergie over de hele levenscyclus is veel lager dan van fossiele elektriciteitsproductie, zoals de grafiek hieronder laat zien. De grafiek komt uit rapport van IPCC over duurzame energie. Dat windenergie geen CO2 reductie levert is onzin.

IPCC RES CO2 life cycle emissions summary

Een andere discussie is hoe de CO2-reductie van windenergie doorwerkt in het Europese systeem van CO2-handel of teniet gedaan wordt door het ‘waterbed-effect’. Daar lijkt het in dit artikel niet over te gaan, dus volsta ik hier met een verwijzing naar de analyse van het TKI Wind op Zee daarover. Heel kort samengevat: natuurlijk is de CO2-uitstoot van windenergie lager dan van fossiele elektriciteitsproductie, de vraag is wel of het Europese systeem van CO2-handel goed werkt. Dat is geen specifiek probleem van windenergie, maar van alle vormen van duurzame energie en besparing op elektriciteit.

“Dat komt doordat op het laatste moment van de onderhandelingen de efficiënte warmtekrachtkoppelinginstallaties (WKK) uit de overeenkomst zijn geschrapt. Het gevolg hiervan is dat de CO2-besparing, die de windparken op zee moeten opleveren, geheel teniet wordt gedaan.”

Aha, het gaat er dus niet om dat windparken geen CO2-besparing opleveren, maar dat deze teniet gedaan zou worden door wat er bij WKKs gebeurt. Dat betekent in ieder geval dat de kop van de artikelen (‘windpark op zee gebakken lucht’ en ‘peperduur windpark zinloos’) die enthousiast werden overgenomen door andere media, de lading helemaal niet dekt. Volgens het artikel is er wel een CO2-besparing door windenergie, maar wordt die teniet gedaan doordat een toename van de CO2-uitstoot als WKK-installaties minder draaien.

“Binnen een paar jaar zal het gebruik van WKK halveren of zelfs met 80 procent afnemen”, zegt directeur Kees den Blanken van de Cogen, belangenvereniging WKK.” en “Door de hoge gasprijs is de warmtekrachtkoppeling niet rendabel.”

WKK heeft het inderdaad zwaar in de huidige energiemarkt. In de Nationale Energieverkenning 2014 van ECN, PBL, CBS en RVO is de situatie van WKK helder in kaart gebracht. Daarin lezen we “De wkk-installaties in de industrie staan onder druk door de ongunstige verhouding van gas- en elektriciteitsprijs”. En over de positie van WKK en gascentrales “Hier speelt een combinatie van factoren een rol: een relatief lage prijs voor
kolen ten opzichte van aardgas, een lage prijs van CO2-emissierechten, een hoge productiecapaciteit in Nederland en lage elektriciteitsprijzen in Duitsland. De verwachte sluiting van vijf oude kolencentrales in 2016-2017 brengt geen wezenlijke verandering in de marktsituatie, doordat nieuwe kolencentrales in bedrijf zullen komen en de capaciteit van elektriciteitsverbindingen met het buitenland wordt uitgebreid.”. Kortom: de problematische situatie van WKK wordt vooral veroorzaakt door de situatie op de energiemarkt en niet door de toekomstige investeringen in windenergie in Nederland. Maar het is natuurlijk altijd leuker om windmolens de schuld te geven…

In het artikel zijn twee ontwikkelingen bij elkaar gebracht (windenergie op zee en WKK) die feitelijk weinig met elkaar te maken hebben. Zoals iemand op twitter zei, is de logica van het niveau ‘het heeft geen zin om te diëten want je buurman eet toch wel een pak gevulde koeken’.

Maar is het misschien toch een goed idee om WKK te stimuleren in plaats van windenergie op zee? “Door de hoge gasprijs is de warmtekrachtkoppeling niet rendabel. „We denken dat we in vijftien jaar ongeveer 2 tot 4 miljard nodig hebben om ze overeind te houden. Dat is slechts een vijfde van de kosten van windparken op zee”, zegt Den Blanken.”

Om die vraag te beantwoorden moeten we even goed kijken wat we willen bereiken. Enerzijds willen we de CO2-uitstoot terugbrengen om klimaatverandering binnen de perken te houden. WKK en gascentrales hebben een veel lagere CO2-uitstoot dan kolencentrales en kunnen daarom een forse bijdrage leveren aan CO2-reductie, vooral op de korte en middellange termijn. Het belangrijkste beleidsinstrument om dat te bereiken is de Europese CO2-handel (ETS). Door CO2 een prijs te geven, moet de vervuiler betalen en hebben stroomproducenten met een lagere CO2-uitstoot zoals WKK en gascentrales een voordeel. De afgelopen jaren is de CO2-prijs zeer laag (rond de €5 per ton CO2). De beste mogelijkheid om WKKs te steunen zou een hogere CO2-prijs zijn. [Overigens vallen veel WKKs in de glastuinbouw niet onder ETS zoals Ferdi van Elswijk terecht opmerkte. Indirect profiteren ook deze WKKs van een hogere CO2-prijs, zie hieronder in de reacties]

Windenergie kan ook een belangrijke bijdrage leveren aan terugbrengen van de uitstoot van CO2. Maar daarnaast zorgt het voor meer hernieuwbare energie. Op dit moment dekken we in Nederland 4% van ons energiegebruik met duurzame energie. Dat aandeel willen we graag vergroten. Daar zijn verschillende redenen voor: de voorraden fossiele brandstoffen zijn gigantisch maar eindig (denk maar aan onze
eigen gasvoorraad in Groningen), we willen minder afhankelijk zijn van import uit instabiele regio’s (Rusland, Midden-Oosten), wel willen schonere lucht en natuurlijk het verminderen van de CO2-uitstoot. Er zijn dus meer redenen om duurzame energie te ontwikkelen dan alleen klimaatverandering.

Daarom hebben we een aparte doelstelling voor duurzame energie. Nederland heeft als doelstelling om in 2020 het aandeel duurzame energie te verhogen van de magere 4% nu naar 14%. Dat doel staat in het Energieakkoord, maar al veel eerder spraken we dat in Europa af. Een belangrijke vraag in het Energieakkoord was hoe we dat doel van 14% moeten halen. Er ingezet op sterke groei van alle duurzame energiebronnen waaronder zon, biomassa en aardwarmte. Windenergie moet de grootste bijdrage gaan leveren, wat niet zo gek is in een land waar het zoveel waait. WKK speelt bij het vergroten van het aandeel duurzame energie geen rol omdat deze installaties over het algemeen draaien op aardgas. Een uitzondering zijn WKKs die draaien op biogas, die leveren duurzame energie en komen daarom ook in aanmerking voor de SDE+ subsidieregeling.

Kortom, WKK kan een belangrijke bijdrage leveren aan CO2-reductie en het zou goed zijn als dat wordt gestimuleerd met een hogere CO2-prijs. Voor een groter aandeel duurzame energie kunnen we in Nederland niet om windenergie heen.

Advertenties

Factcheck van Elsevier-artikel “Hoe de windillusie u misleidt”

In Elsevier van 14 juni staat  een kritisch stuk van Syp Wynia over windenergie onder de titel ‘Hoe de windillusie u misleidt’ (€0,29 bij Blendle). Dat klinkt niet best, dus hoog tijd voor een factcheck. Ik kon eerlijk gezegd de illusie noch de misleiding vinden.

1. De Amerikaanse politicus Al Gore bracht de leiders van de Europese Unie eind 2006 het hoofd op hol met zijn klimatologische armageddon. [..] Zo kwamen we aan de ambitieuze klimaatdoelstellingen die in die dagen in Brussel werden vastgesteld.

Klimaatbeleid dateert niet van 2006 en werd niet uitgevonden door Al Gore. Al in 1992 werd het internationale klimaatverdrag gesloten. Niet omdat Al Gore zei dat dat moest, maar omdat duidelijk was dat klimaatverandering tot flinke problemen kan leiden. Belangrijkste doelstelling van het klimaatverdrag is ‘”het stabiliseren van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer op een zodanig niveau, dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen”’. Het verdrag is geratificeerd door 192 landen.

In 2007 stelde Europa de doelstellingen voor 2020 vast voor CO2-uitstoot, energiebesparing en duurzame energie. Deze doelstellingen werden wellicht in Brussel vastgesteld, maar dat gebeurde in onderhandeling tussen de Europese landen. Nederland zegde toe dat in ons land in 2020 14% van ons energiegebruik duurzaam zal zijn. Dat is een relatief laag percentage vergeleken met de rest van Europa, wat recht doet aan onze omstandigheden (dichtbevolkt land, weinig waterkracht door gebrek aan bergen en weinig eigen biomassa door gebrek aan uitgestrekte bossen). Hieronder een grafiek met de duurzame energiedoelstelling voor de Europese landen.

2020 targets renewable energy EU-27 countries Nederland met pijltje

Overigens investeert niet alleen Europa in duurzame energie. China en de Verenigde Staten zijn de landen met de grootste duurzame stroomproductie in de wereld.

2. Diederik Samsom van de PvdA kreeg [in het Regeerakkoord van 2012] voor zijn medewerking hogere en genivelleerde belastingen. Plus, minder opgemerkt, een ambitieuze klimaatagenda.

Het Regeerakkoord bevat geen ambitieuze klimaatagenda. Het zegt dat Nederland inzet op een ambitieus internationaal klimaatbeleid. Op dit punt bevat het Regeerakkoord geen concrete acties. Het Regeerakkoord heeft wel een concrete doelstelling voor duurzame energie: 16% van het totale Nederlandse energiegebruik moet in 2020 duurzaam zijn. In 2012 was dat 4%.

Nu zult u zeggen: ambitieuze klimaatagenda of ambitieuze duurzame energie-agenda, wat is het verschil? Meestal zou ik daar in een algemeen stuk niet direct over vallen, want duurzame energie helpt ook om klimaatverandering binnen de perken te houden. Maar verderop in zijn stuk neemt Wynia ons –terecht- de maat over het verschil tussen energie en elektriciteit (zie punt 5). Dan mogen we van hem ook de nodige precisie verwachten als het gaat om het verschil tussen klimaatbeleid en duurzame energiebeleid:

  • Klimaatbeleid: reduceren van de uitstoot van broeikasgassen (waaronder CO2, methaan, lachgas en een aantal fluorverbindingen) om klimaatverandering binnen de perken te houden. Dit is te bereiken met onder andere energiebesparing, duurzame energie, CO2-opslag, kernenergie.
  • Duurzame energiebeleid: verhogen van het gebruik van duurzame energiebronnen (zoals zon, wind, waterkracht, biomassa, aardwarmte). Duurzame energie leidt tot lagere uitstoot van broeikasgassen, maar verkleint ook de afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen (denk aan gas uit Rusland).

Bij het beoordelen van de doelstelling voor duurzame energie is het interessant te weten wat het verkiezingsprogramma van de VVD in 2012 zei over duurzame energie: “De VVD streeft ernaar dat in 2020 14% van de energie duurzaam is”. Niet zoveel lager dan wat er in het Regeerakkoord staat dus. En zoals we hieronder zullen zien precies het doel dat in het Energieakkoord terecht gekomen is.

3. Dat Energieakkoord mocht wat kosten: 18 miljard euro in tien jaar, voornamelijk te besteden aan honderden extra windmolens, te land en ter zee.

Het Energieakkoord verengen tot windenergie is op zijn minst een beetje flauw. Het akkoord bevat 10 pijlers gericht op onder andere energiebesparing, kolencentrales, kleinschalige duurzame energie en CO2-handel. In het Energieakkoord is de doelstelling van 16% duurzame energie uitgesteld tot 2023 en voor 2020 de doelstelling van 14% terug gehaald.

Om deze doelstellingen te halen wordt ingezet op feitelijk alle vormen van duurzame energie die in Nederland voorhanden zijn: wind, zon, aardwarmte, biomassa. Deze tabel van PBL laat zien hoe de groei verdeeld is over deze duurzame energiebronnen.

Image

Het bedrag van 18 miljard euro waar Wynia naar refereert wordt niet in 10 jaar uitgegeven, maar in de periode 2013-2038, dat wil zeggen in 25 jaar. Duurzame energieprojecten ontvangen subsidie voor een periode van 15 jaar. De laatste projecten uit het Energieakkoord moeten in 2023 gaan draaien en krijgen dan tot 2038 subsidie.

4. Over de extra kosten per huishouden wordt nog geruzied, maar vaststaat dat het minstens honderen euro’s per jaar zijn – volgens sommigen meer dan 1.000 euro. In het ergste geval is een werknemer met een minimumloon per jaar een groot deel van een nettomaandsalaris kwijt aan het Energieakkoord.

Ik heb geen enkele serieuze berekening gezien die zegt dat een huishouden 1000 euro per jaar kwijt zou zijn aan het Energieakkoord. Het getal werd genoemd door de ‘groene rekenkamer’ in een rapport dat ik eerder aanduidde als ‘brandhout’ en dat doe ik niet snel. Minister Kamp reageerde in antwoord op kamervragen al meer dan eens op deze spookverhalen.

5. Berichten waarin wordt beweerd dat de windmolens ‘de energie’ voor duizenden of honderdduizenden huishoudens gaan leveren, zijn het meest misleidend. [..] Van die energieconsumptie door huishoudens bestaat slechts een kwart uit stroomconsumptie in en om het huis.

Wynia heeft gelijk dat het misleidend is om te zeggen dat windmolens het energiegebruik van bepaald aantal huishoudens leveren als er een vergelijking wordt gemaakt op basis van het stroomgebruik. Huishoudens verbruiken namelijk ook gas en brandstof voor hun auto. Maar wie maakt zich dan schuldig aan deze misleidende vergelijking? Eens even googelen (meest concrete hits bij zoekopdracht ‘windmolens huishoudens’):

  • Windenergie Energie Associatie NWEA zegt dat een moderne windturbine van 3 MW genoeg stroom levert voor bijna 2000 huishoudens.
  • Essent zegt dat twee nieuwe ‘superwindmolens’ van 6,15 MW in de Eemshaven genoeg groene stroom leveren voor 10.000 huishoudens.
  • Windgroep Goeree-Overflakkee heeft het over een klein windpark van 9 MW dat elektriciteit kan leveren voor 5400 huishoudens.
  • Het artikel op wikipedia over windturbines in Flevoland stelt dat het windpark Zuidlob van 122 MW stroom kan leveren voor 90.000 huishoudens. Nuon meldt over hetzelfde park op haar website dat het 88.000 huishoudens van duurzame stroom kan voorzien.
  • Het Eneco windpark in Delfzijl gaat groene stroom leveren voor 60.000 huishoudens
  • Ook op de website van de Rijksoverheid voorzien windparken huishoudens van stroom of elektriciteit

Het lijkt dus erg mee te vallen met de berichten waarin wordt beweerd dat windmolens de ‘energie’ kunnen leveren van een bepaald aantal huishoudens. Het zal ongetwijfeld wel eens misgaan, maar het gebeurt zeker niet structureel.

De volgende vraag is of het misleidend is om de stroomproductie van windmolens uit te drukken in een aantal huishoudens. Is dat misleidend omdat huishoudens maar een kwart van de elektriciteit in Nederland gebruiken? Ik denk dat het vooral een poging is om een grote hoeveelheid stroom enigszins voorstelbaar te maken. Weet u wat het betekent als een windmolen 6,6 GWh per jaar produceert, of 6,6 miljoen kWh? Of is het beter te begrijpen als we zeggen dat het evenveel stroom is als 2000 huishoudens in een jaar gebruiken?

Niet alleen de stroomproductie van windmolens wordt uitgedrukt in een aantal huishoudens. De nieuwe kolencentrale van Essent in de Eemshaven kan 2,5 miljoen huishoudens van stroom voorzien. De kerncentrale in Borssele kan volgens dagblad Trouw ongeveer 1 miljoen huishoudens van stroom voorzien. En de maximale stroomproductie van de gascentrale Enecogen van Eneco en DONG Energy komt overeen met het elektriciteitsverbruik van 1,4 miljoen huishoudens, terwijl de Hemweg 9 centrale van Nuon 750.000 huishoudens van stroom kan voorzien.

Ook de capaciteit van gasopslagen zoals die van Eneco of TAQA Energy wordt uitgedrukt in het aantal huishoudens dat er paar jaar mee van gas voorzien kan worden. De gasproductie van GDF Suez in Nederland is goed voor de jaarlijkse gasvoorziening van ongeveer 4 miljoen huishoudens. Terwijl ook gas niet alleen door huishoudens gebruikt wordt.

Het valt in mijn ogen wel mee met die misleiding. En als u het misleiding vindt, dan doen we dat in commissie bij vele vormen van energieproductie en zeker niet alleen bij windenergie.

6. Zelfs als al die geplande, zwaar gesubsidieerde windmolens permanent zouden draaien -wat ze niet doen: veel te vaak waait het niet of juist te hard- dan zouden er nog minstens driemaal zo veel moeten komen om alleen al alle huishoudens van stroom te voorzien.

Fout.

De windmolens die er komen op land (6000 MW) en op zee (4450 MW) produceren volgens het PBL in 2023 in het totaal 123 petajoule elektriciteit per jaar (zie de tabel hieronder). Volgens het CBS gebruikten alle huishoudens in Nederland in 2013 samen 91 petajoule aan elektriciteit. De geplande windmolens produceren dus juist 1,4 maal zoveel stroom als alle huishoudens samen gebruiken.

Image

7. Maar alle bedrijven -verreweg de grootste verbruikers- zouden hun stroom dan van kolen- of gascentrales moeten betrekken. Of van Franse kerncentrales.

In vervolg op punt 6. is ook dit niet correct. In 2023 is de totale duurzame elektriciteitsproductie zo groot dat 40-45% van alle elektriciteit in Nederland uit duurzame bronnen wordt opgewekt. Dit komt niet alleen uit windenergie, maar ook uit biomassa en zonne-energie. Huishoudens gebruiken ongeveer 25% van de stroom in Nederland, dus ook een aanzienlijk deel van het stroomgebruik van bedrijven kan tegen die tijd gedekt worden met duurzame energie.

Dit betekent uiteraard dat in 2023 nog 55-60% van de Nederlandse elektriciteit uit conventionele bronnen zal komen. En 84% van het totale energiegebruik. Ik geloof niet dat iemand dat ooit ontkent heeft, dus dit kan de illusie niet zijn waar de titel van het artikel op wijst.

8. De gewone elektriciteitscentrales moeten trouwens toch al altijd draaien omdat we het begrijpelijkerwijs niet acceptabel vinden als de stroom uitvalt wanneer het even niet waait.

De suggestie dat alle elektriciteitscentrales altijd moeten draaien getuigt van weinig inzicht in de elektriciteitsproductie. Iets vergelijkbaars wordt regelmatig geroepen, dus staat u mij toe dat ik hier wat meer woorden aan vuil maak.

Iedere partij met een aansluiting op het landelijke elektriciteitsnet moet elke dag aangeven hoeveel stroom hij de volgende dag uit het net gaat afnemen (bijvoorbeeld om aan klanten te leveren) en waar hij deze stroom vandaan gaat halen. Of andersom: een producent moet aangeven hoeveel stroom hij denkt te gaan leveren en wie die stroom gaat afnemen. Als er een verschil is tussen de geplande hoeveelheden en de daadwerkelijke hoeveelheden (‘onbalans’), dan heeft dat financiële consequenties voor de programmaverantwoordelijke.

TenneT zorgt als beheerder voor balans op het hoogspanningsnetwerk. Daarvoor heeft ze contracten gesloten voor de levering van regel- en reservevermogen, bijvoorbeeld centrales die extra stroom kunnen leveren als dat  nodig is. De kosten hiervan worden in rekening gebracht bij de partij die de onbalans veroorzaakt. Daarnaast heeft TenneT de beschikking over noodvermogen voor crisissituaties. Er wordt geen specifiek vermogen gereserveerd voor windenergie. Er is regel-, reserve- en noodvermogen beschikbaar voor alle verschillende oorzaken van onbalans, niet specifiek voor windenergie. Er kan meer stroomvraag zijn dan verwacht (bijvoorbeeld als het kouder is), er kan een conventionele centrale uitvallen of een kabel met het buitenland beschadigd raakt (zoals de kabel met Noorwegen tijdens de storm in oktober 2013). Dit vermogen is beschikbaar, maar wordt alleen ingezet als het nodig is.

Het is dus van groot belang een zo goed mogelijke voorspelling te hebben van de hoeveelheid stroom die een windpark de volgende dag kan produceren. De onderstaande grafiek van het onvolprezen Fraunhofer-ISE laat dit zien voor het 2013 in Duitsland. Op de y-as staat de stroomproductie door windturbines in Duitsland die een dag van tevoren verwacht werd en op de x-as de daadwerkelijke productie. Elke groene stip in de grafiek is een uur. Het is duidelijk te zien dat verreweg de meeste stip liggen rond de diagonale lijn in het midden waarop de daadwerkelijke productie gelijk is aan de verwachte productie.

Image

Als je een dag van tevoren weet dat het veel gaat waaien, hoef je minder stroom in te kopen of centrales laten draaien. Als je weet dat het windstil zal zijn, moet je meer inkopen of meer centrales laten draaien.

Voor de liefhebbers: voor veel landen kunt u dagelijks zien hoe de stroomproductie is samengesteld en welke rol windenergie speelt.

De voorspelling van de hoeveelheid windenergie wordt steeds beter zoals hieronder te zien is voor Spanje. De grafiek (uit windenergie technologie roadmap van IEA) laat zien hoe de gemiddelde afwijking tussen voorspelling en de daadwerkelijke windenergieproductie afnam tussen 2008 en 2012. En dat de afwijking in de voorspelling een uur van te voren veel kleiner is dan 1 of 2 dagen vooruit.

Voorspelling windproductie vooraf Spanje IEA

 

 

 

 

 

 

 

Het inpassen van grotere hoeveelheden wind- en zonne-energie vraagt meer flexibiliteit van het energiesysteem. IEA schreef recent een rapport dat laat zien hoe variabele energiebronnen als wind en zon kosteneffectief ingepast kunnen worden. Daarover wellicht een andere keer meer. Voor nu volsta ik ermee dat het een broodje aap is dat alle centrales altijd moeten draaien als achtervang voor windenergie.

Factcheck van Elsevier-artikel over zonnepanelen

In Elsevier van 10 mei 2014 staat een groot artikel van Simon Rozendaal over zonnepanelen (€0,29 bij Blendle) . Mooi dat Elsevier uitpakt met zoveel aandacht voor duurzame energie. Het is wel de moeite waard om een aantal punten uit dat artikel eens tegen het licht te houden. Ik moet u waarschuwen: er blijft weinig van overeind.

Image

[Ik heb bij het schrijven van deze blog mijn voordeel kunnen doen met vele reacties op de tussentijdse versies hier en op twitter. Iedereen veel dank daarvoor. Ik wil in het bijzonder Peter Segaar van Polder PV bedanken voor zijn enorme hoeveelheid tips en verwijzingen naar bronnen en data en Peter Segaar en Henri Bontenbal voor het factchecken van punt 10. Ik hou me aanbevolen voor correcties en aanvullingen]

1. “Zonnecellen kosten de samenleving miljarden”

Stevige stelling in de 1e alinea van het artikel, zeker in combinatie met de ‘sticker’ op de voorpagina ‘Plus: Hoe de samenleving opdraait voor de kosten‘. Het artikel onderbouwt echter op geen enkele manier dat zonne-energie de Nederlandse samenleving miljarden kost. Sterker nog, het meest concrete getal dat er voor Nederland instaat (86 miljoen euro inkomstenderving voor de overheid in 2012), blijkt niet te kloppen, zie punt 2 hieronder.

Simon Rozendaal laat in het artikel van 9 pagina’s eigenlijk vooral zien dat de energiebehoefte in de Nederland of de wereld voorlopig nog niet volledig gedekt kan worden door zonne-energie en dat het veel geld zou kosten als we dat op korte termijn zouden proberen. Dat klopt, maar er is ook vrijwel niemand die beweert dat dat wel mogelijk zou zijn. Laten we eens kijken naar de meest extreme Nederlandse duurzame energiescenario’s die ik ken. In het zeer ambitieuze ‘Energy Revolution scenario’ voor Nederland van Greenpeace wordt in 2020 1,4% van het totale Nederlandse energiegebruik (stroom, warmte en brandstoffen) gedekt door zonne-energie. Zie de grafiek hieronder.

Greenpeace NL energy revolution scenario 2050

Ook het meest extreme nationale duurzame energiescenario –‘Nederland 100% duurzame energie in 2030’ van Urgenda- bevat bij lange na geen pleidooi voor 100% zonne-energie in 2030. Hetzelfde geldt voor alle andere scenario’s over duurzame energie die ik ken. [ik hoor het graag als u voorbeelden kent van organisaties of scenario’s die dat wel doen]

Het enige dat ik kan bedenken dat in de buurt komt van de door Rozendaal bestreden stelling dat we op korte termijn de volledige energiebehoefte van Nederland of de wereld moeten dekken met zonne-energie, is dit plaatje dat op twitter de ronde doet:

oppervlakte zonne-energie nodig om energiegebruik wereld te dekken

Dit plaatje laat zien hoe groot het oppervlakte is waarop evenveel energie van de zon op de aarde komt als er gebruikt wordt door respectievelijk de hele wereld, de EU en Duitsland. Voor zover ik weet stelt niemand serieus dat dit laat zien dat we op korte termijn volledig over kunnen stappen op zonne-energie als onze enige energiebron. Wel dat dit illustreert hoeveel energie de zon op de aarde straalt.

Terug naar de miljarden euro’s. In het artikel wordt wel verwezen naar een schatting van het Fraunhofer-instituut dat in de Europese Unie 10 miljard per jaar naar zonne-energie gaat in de vorm van terugleververgoedingen (in de volksmond ‘subsidie’). Het grootste vermogen aan zonnepanelen staat in Duitsland, dus voor zover het al om miljarden euro’s gaat, worden die vooral opgebracht door de Duitse energiegebruiker en niet de Nederlandse belastingbetaler zoals het artikel lijkt te suggereren (voor meer over de Duitse situatie zie punt 10 en 11 hieronder).

Een ander miljardenbedrag dat in het artikel genoemd wordt is dat het honderden miljarden zou kosten om nieuwe, sterke en ‘slimme’ netten te realiseren in landen met een tamelijk oud net, zoals in de Verenigde Staten. Ook dat gaat dus niet over Nederland en het is overigens de vraag hoe zinnig het is om de kosten van vernieuwen van een verouderd net aan zonne-energie toe te schrijven.

Samengevat kost zonne-energie de Nederlandse samenleving geen miljarden en bestrijdt Rozendaal in het artikel vooral de stelling dat we in korte tijd volledig kunnen overschakelen op zonne-energie als onze enige energiebron. Voor zover ik weet stelt vrijwel niemand dat serieus voor. Daarmee lijkt het erop dat Rozendaal in dit artikel over zonne-energie toch een beetje tegen windmolens vecht.

Conclusie: zonne-energie kost de Nederlandse samenleving geen miljarden

2. “Naar schatting van het Planbureau voor de Leefomgeving liep de overheid in 2012 door zonne-energie 86 miljoen euro belasting mis”

Peter Segaar wees op twitter op een fout in het stuk “Voor niets gaat de zon op” van Nic Vrieselaar dat onderdeel uitmaakt van het grote artikel in de Elsevier van deze week (bij Blendle is dit een los artikel voor €0,29). Daarin staat dat de overheid in 2012 door zonne-energie 86 miljoen euro aan belasting misliep volgens het Planbureau van de Leefomgeving (PBL). Deze uitspraak is waarschijnlijk gebaseerd op een notitie van PBL over lokale klimaatmaatregelen waaronder zonne-energie. In dit rapport staat een schatting van de inkomstenderving door de overheid in 2020 als er 2400 MW aan zonnepanelen zou staan en de belastingregels voor zonne-energie hetzelfde zouden zijn als in 2012.

Eind 2012 was het totale vermogen van zonnepanelen in Nederland naar schatting 365 MW. Dat betekent dat de inkomstenderving voor de overheid in 2012 eerder in de orde van 13 miljoen euro zal zijn geweest dan de door Elsevier genoemde 86 miljoen.

Conclusie:  Het getal van 86 miljoen euro belastingderving in 2012 is incorrect. Laten we het erop houden dat het een onbedoelde verkeerde interpretatie is van de cijfers in de PBL-notitie.

Overigens is het onwaarschijnlijk dat de belastingregels voor zonne-energie in 2020 nog hetzelfde zijn als in 2012. Zoals Elsevier ook schrijft heeft minister Kamp al gezegd dat de ‘salderingsregeling’ in de huidige vorm onhoudbaar is. Aanpassing van de regeling is ook logisch als zonne-energie steeds goedkoper wordt en op grotere schaal toegepast.

De vraag hoe de regeling voor zonne-energie er in de toekomst uit moet zien om overstimulering te voorkomen is uiterst relevant.  Elsevier schrijft terecht dat dit nu onzekerheid oplevert voor wie nu investeert in zonne-energie. Zie ook punt 10 over de Duitse regeling waarvan de hoogte jaarlijks wordt aangepast aan de kostendaling van zonnepanelen.

3. “Zonnepanelen zijn de afgelopen tien jaar meer dan drie keer zo goedkoop geworden”

Simon Rozendaal pleitte er in 2010 in een Elsevier-blog nog voor om in Nederland honderden miljoenen euro’s te investeren in onderzoek naar zonne-energie in plaats van in de bouw van windparken omdat hij meer vertrouwen had in die technologie en geloofde in een sterke kostenreductie.

De prijs van zonnepanelen is de afgelopen periode inderdaad spectaculair gedaald. Interessant genoeg is deze kostendaling waarschijnlijk niet primair veroorzaakt door wetenschappelijk onderzoek, maar juist ook door de subsidie voor zonnepanelen waar Rozendaal zo kritisch over is. Kostenreductie van duurzame energietechnologie kan namelijk niet gerealiseerd worden met alleen wetenschappelijk onderzoek in een laboratorium. Daarnaast is ook toepassing op aanzienlijke schaal nodig om ervaring op te doen en in de praktijk te leren hoe het beter, slimmer en goedkoper kan.

Door de grootschalige stimulering van zonne-energie -vooral in Duitsland- groeide de wereldmarkt voor zonnepanelen de afgelopen jaren met dubbele cijfers. De sterke groei van de markt gaf fabrikanten -zeker ook in China- de mogelijkheid om processen op te schalen en verregaand te automatiseren. De Duitse subsidie (preciezer: terugleververgoeding) voor zonnestroom heeft op deze manier een enorme bijdrage geleverd aan de kostendaling van zonne-energie waar Rozendaal op hoopte.

Bekeken over een langere periode is de kostendaling helemaal indrukwekkend. In de jaren ’70 waren zonnepanelen nog buitengewoon duur. Tussen 1977 en 2013 is de prijs van zonnepanelen per Watt met een factor honderd gedaald, zoals de grafiek hieronder laat zien.

price-of-solar-power-drop-graph

Inmiddels hebben China, Japan én de Verenigde Staten de Duitsers ingehaald wat betreft de hoeveelheid zonnepanelen die er per jaar geïnstalleerd wordt. Nu de prijs van zonne-energie zo sterk gedaald is, wordt het overal op de wereld steeds aantrekkelijker om op grote schaal zonnepanelen te installeren. Zie de grafiek hieronder met de installatie van zonnepanelen per jaar per land.

zonnevermogen wereld 2008-2014

Conclusie: de prijs van zonnepanelen is inderdaad spectaculair gedaald. Over een langere periode zelfs nog veel meer dan een factor 3.

4. “Concurrentiepositie zonnestroom: Vanaf 2030 even goedkoop als fossiel en nucleair”

Het artikel bevat een mooie grafiek waarin te zien is hoe de prijs van zonnestroom zou kunnen dalen van de huidige 8 tot 14,5 cent per kWh in 2013 naar 5,5 tot 9,5 cent per kWh in 2030. Ter vergelijking stat erbij wat de opwekkosten zijn van stroom uit fossiel en nucleair. Die zijn blijven in de grafiek constant op 5 cent per kWh. Dat is ruwweg de stroomprijs op de groothandelsmarkt waarmee de marginale kosten van de stroomproductie (vooral de brandstofkosten) gedekt worden.

Conclusie 1: De bron van de grafiek is helaas weggevallen, maar ik denk dat het een behoorlijke indruk geeft van de mogelijke ontwikkeling in de toekomst. Daarbij is de ontwikkeling van de brandstofprijzen overigens een flinke onzekere factor voor fossiele centrales. Voor kerncentrales maken de brandstofkosten slechts een klein deel uit van de totale kosten en is deze onzekerheid er niet.

Voor nieuwe kerncentrales lijkt de genoemde 5 cent per kWh onrealistisch laag. De Britse regering heeft recent een contract afgesloten voor een nieuwe kerncentrale in Hinkley Point die in 2023 klaar moet zijn. Daarbij garandeert de overheid voor 35 jaar een stroomprijs van £92.50 per MWh (ongeveer 11 eurocent per kWh). De stroomprijs wordt jaarlijks gecompenseerd voor inflatie. De vergoeding voor de stroom wordt daarmee in absolute termen elk jaar 1-2% hoger. 

Conclusie 2: Het is waarschijnlijk dat de zonnestroom de komende jaren per kWh goedkoper is dan stroom uit een nieuwe kerncentrale.

Daarbij merkt Rozendaal terecht op dat er een groot verschil is tussen een kerncentrale die in principe min of meer volcontinu levert en zonnepanelen die alleen stroom produceren als de zon schijnt. Dat maakt dat een vergelijking op pure productiekosten per kWh niet volledig is. Het effect van het moment waarop zonnepanelen stroom produceren komt aan de orde bij punt 13.

5. “Het kan dus best dat het nog wel een jaar of tachtig duurt voor zonne-energie haar prachtige potentie waarmaakt”

Het artikel stelt dat het nog wel 80 jaar kan duren voordat zonne-energie haar potentie waarmaakt. De grote vraag is daarbij wat zonne-energie moet doen om haar potentie waar te maken. De termijn van 80 jaar lijkt gebaseerd op het lange termijn scenario ‘Oceans’ van Shell waarin zonne-energie in 2100 wereldwijd 38% van het totale energiegebruik dekt en daarmee verreweg de grootste energiebron is. Zie de grafiek hieronder uit de laatste Shell scenario studie.

shell 2100 scenario met veel zon

Conclusie 1: Allereerst blijkt uit de tijdlijn in de Shell studie dat in het scenario ‘Oceans’ zonne-energie al rond 2065 de nummer 1 energiebron wordt. Dat is over 50 jaar. En vind ik nogal een indrukwekkende gedachte.

Conclusie 2: Belangrijker is de stelling van Rozendaal dat een energiebron alleen haar potentie waarmaakt als ze de nummer 1 energiebron ter wereld is. Maakt aardgas haar potentie nog niet waar omdat het aandeel van olie en kolen in de wereldwijde energievoorziening groter is? Is er een scenario waarin kernenergie volgens dit criterium (nummer 1 energiebron) haar belofte waarmaakt?

Ik zou zeggen dat zonne-energie haar potentie al behoorlijk waar maakt als het op een bepaalde plek goedkopere stroom levert dan conventionele bronnen. Dat gebeurt het eerste op plaatsen met veel zon en hoge stroomprijzen. Dat gebied wordt steeds groter. En de potentie om stroom te leveren die veel schoner is dan kolen of gas heeft zonne-energie al lang waargemaakt.

Er is niet één energiebron die alleen ons totale energiegebruik kan dekken. We zullen altijd een mix nodig hebben. En die mix zal paar regio verschillen. Het is daarom onzinnig om te zeggen dat een energiebron haar belofte pas waarmaakt als het de nummer 1 bron in de wereld is.

6. “De ‘Zonne-energiefamilie’ bestaat uit bronnen met een zeer laag, respectievelijk extreem laag gemiddeld vermogen per vierkante meter bodemoppervlak. Dat is meteen ook het wezenlijke verschil met een kerncentrale: uranium barst van de energie.”

Conclusie: Dit klopt. De energiedichtheid van fossiele en zeker nucleaire brandstof is vele malen hoger dan van het zonlicht dat op de aarde schijnt. De vraag is echter hoe relevant de energiedichtheid van een energiebron is.

Voor het transport van energie over enige afstand is energiedichtheid van groot belang. Daarom zijn fossiele brandstoffen zo succesvol als energiebron voor auto’s, schepen en vliegtuigen. Voor een energiebron kan het een voordeel zijn als deze een hoge energiedichtheid heeft, bijvoorbeeld om zware industrie of een grote stad van energie te kunnen voorzien. In sommige gevallen kan een energiebron met een lage energiedichtheid die overal beschikbaar is ook een voordeel hebben. Zonne-energie is overal beschikbaar. Zodra je ergens een zonnepaneel neerlegt en de zon schijnt heb je stroom. Interessant om te zien hoe zonnepanelen worden gebruikt op locaties die ver van een stroomnetwerk liggen of lastig aan te sluiten zijn: scheepsboeien in het water, tijdelijke informatieborden langs de weg bij werkzaamheden of vakantie-opladers voor mobiele telefoons. Voor gebieden in de wereld die niet aangesloten zijn op het elektriciteitsnetwerk –en dat zijn er helaas nogal wat- kan zonne-energie de goedkoopste oplossing zijn om energie beschikbaar te maken. En veel schoner dan een walmende kerosinelamp.

Het gebruik van een energiebron met een lage energiedichtheid zoals wind of zon betekent inderdaad dat er aanzienlijke oppervlaktes nodig zijn om grote hoeveelheden energie te ‘vangen’. Als we een groot deel van ons energiegebruik willen dekken uit duurzame energie (let op: ik heb het over alle duurzame energiebronnen, niet alleen zonne-energie, zie ook punt 17) is een groot oppervlakte nodig en zullen we op veel plaatsen zonnepanelen, windmolens en biomassa zien. Dat betekent overigens niet dat dit oppervlakte nergens anders voor te gebruiken is. We constateerden al dat zonnepanelen uitstekend op daken kunnen liggen (hoewel in steeds meer landen ook grote zonne-energiesystemen direct op de grond geplaatst worden). Windmolens staan uitstekend tussen weilanden, langs de snelweg of op een industriegebied en de fundering neemt maar weinig plaats in. En duurzame biomassa voor energiegebruik bestaat bijvoorbeeld uit restproducten van de landbouw of uit een bos. Gebruik van grote oppervlaktes voor duurzame energie betekent volgens mij vooral dat onze energievoorziening zichtbaarder wordt. Een ander aspect van onze energievoorziening is overigens op veel plaatsen al zichtbaar in het landschap in de vorm van hoogspanningsleidingen.

De hoge energiedichtheid van kernenergie is overigens ook een van de nadelen. Kerncentrales draaien bijna altijd zonder grote problemen. Maar als het echt misgaat, zoals in Tsjernobyl en Fukushima, komt er in één keer op een klein oppervlakte een enorme hoeveelheid energie vrij.

Overigens begrijp ik als halve natuurkundige de voorkeur voor hoge energiedichtheden heel goed. Voor een fysicus is het ook mooi om te bedenken dat de zon een gigantische kernfusiereactor is.

7. “Zelfs wie een tamelijk grote tuin heeft en die betegelt met zonnecellen, kan daarmee niet alle benodigde stroom opwekken”

In het artikel van Nic Vrieselaar in hetzelfde nummer van Elsevier staat bijna alle informatie die we nodig hebben voor een klein sommetje om te controleren of dit klopt. Het gemiddelde elektriciteitsgebruik van een Nederlands huishouden is 3340 kWh per jaar. Een standaard zonnepaneel wekt in Nederland per jaar op een goede locatie ongeveer 210 kWh stroom op. Als je dan ook nog weet dat een zonnepaneel ongeveer 1,63 m2 groot is, kun je het volgende uitrekenen: Met 16 zonnepanelen kan in Nederland per jaar het gemiddelde stroomgebruik van een huishouden geproduceerd worden (16 x 210 = 3360 kWh). Zestien zonnepanelen hebben samen een oppervlakte van 26 m2 (16 x 1,63 = 26,08 m2).

Conclusie: Een tuin van 6 bij 4,5 meter vol met zonnepanelen zonder schaduw zou evenveel stroom kunnen produceren als een huishouden per jaar gebruikt. U mag zelf bedenken of u een tuin van 6 bij 4,5 meter tamelijk groot vindt of niet.

Overigens is het betegelen van uw tuin in de meeste gevallen niet de beste opstelling voor zonnepanelen. Zoals verderop in het Elsevier artikel ook staat, zijn juist daken bij uitstek geschikt.

8. “Van alle potentiële vormen van zonne-energie zijn hier voorlopig alleen zonnepanelen geschikt”

Terecht constateert het artikel dat de techniek waarbij zonlicht geconcentreerd wordt met parabolische spiegels (‘concentrated solar power’) in Nederland op dit moment niet geschikt is omdat de intensiteit van het zonlicht hier niet zo hoog is als in Spanje of het Zuiden van de VS waar deze techniek wel wordt toegepast.

Het gebruik van zonnecollectoren voor warm water is in Nederland wel degelijk mogelijk. Voor verwarming is dat niet de meest voor hand liggende oplossing omdat de zon vooral ’s zomers schijnt en we vooral in de winter verwarming nodig hebben. Voor warm tapwater zijn zonnecollectoren ook in Nederland uitermate geschikt. Ik heb een zonnecollector op mijn dak staan en die levert op zonnige dagen 125 liter warm water per dag waar we heerlijk onder kunnen douchen. Warm water in huishoudens, keukens en stallen is maar een klein deel van het totale Nederlandse energiegebruik. Zonnecollectoren kunnen dus maar een kleine bijdrage leveren aan onze energievoorziening. Maar ongeschikt zijn ze niet, zoals ik zelf op elke zonnige dag voel.

Ik loop op zonnige altijd even naar boven om te kijken hoe warm het water van de collector is. Fascinerend om te zien dat de zon op een koude maar zonnige winterdag water kan verwarmen tot een graad of 30. En op de dagen dat er niet voldoende zon is prijs ik me gelukkig met ons aardgas. Want zonder fossiele energie kan ik voorlopig nog niet.

Conclusie: Iets te stellig. In Nederland kunnen zonnepanelen de grootste bijdrage leveren. Ook zonneboilers kunnen een bijdrage leveren in de vorm van warm water productie. Voor geconcentreerde zonne-energie (CSP) is Nederland ongeschikt.

9. “Elektriciteit vormt ook maar een klein deel van de energievoorziening. Willen zonnepanelen ook de rest verzorgen, zoals verwarming en vervoer, dan dient het ganse land te worden overkoepeld.”

Conclusie 1: Simon Rozendaal en ik delen de frustratie dat stroomgebruik en energiegebruik vaak op één hoop gegooid worden. Nogal eens wordt er over (duurzame) energie gepraat en geschreven alsof het alleen over elektriciteit gaat. Alsof warmtevoorziening, (transport)brandstoffen en grondstoffen voor bijvoorbeeld plastics en kunstmest er niet of minder toe doen.

Voor een deel heeft dat er misschien wel mee te maken dat er bij elektriciteitsproductie keuze is uit een flink aantal verschillende bronnen (kolen, olie, gas, kern, zon, wind, waterkracht), terwijl warmte in Nederland voor het grootste deel uit gas komt en olieproducten (benzine, diesel, LPG) vrijwel de enige transportbrandstoffen zijn. Dat is natuurlijk onzin. Ik trek daarom graag samen met Rozendaal ten strijde tegen iedereen die denkt of net doet alsof elektriciteit onze hele energievoorziening is.

Het is ook waar dat onze elektriciteitsproductie waarschijnlijk makkelijker ter vervangen is door duurzame bronnen dan warmteproductie en transportbrandstoffen. Maar ook bij warmte (aardwarmte, biogas) en transportbrandstoffen (biobrandstoffen, biogas, elektriciteit) is veel mogelijk.

Conclusie 2: Ik ben het er niet mee eens dat elektriciteit maar een klein deel van onze energievoorziening is. In Nederland was in 2012 ongeveer 25% van het totale primaire energiegebruik nodig voor elektriciteitsproductie. Dat vind ik geen klein deel.

Laat ik over de zinsnede ‘dan dient het ganse land overkoepeld te worden’ maar niet meer zeggen dan dat het een mooie retorische vondst is.

10. “Wie [in Duitsland] stroom aan het net levert krijgt daar ongeveer 20 tot 30 cent per kilowattuur voor. Dat is meer dan de zonnestroom kost: afhankelijk van de locatie is die in Duitsland gedaald tot 15 à 20 cent.”

Conclusie 1:  (in goed Duits): Quatsch!

Hier slaat Rozendaal de plank flink mis. In Duitsland wordt de (EEG) vergoeding voor zonne-energie elk jaar opnieuw vastgesteld met een verschillend tarief voor verschillende type installaties (afhankelijk van de grootte/capaciteit van de installatie). Op deze manier wordt de vergoeding voor nieuwe systemen steeds aangepast aan de kostendaling. Deze figuur uit een presentatie van PBL laat zien hoe de vergoeding per kWh voor verschillende zonne-energie-installaties de afgelopen 2 jaar is gedaald.

EEG vergoeding zonne-energie categorien 2012-2014

Voor bestaande installaties blijft de vergoeding gelijk. Er zijn dus zoals Rozendaal schrijft inderdaad zonnesystemen die een vergoeding van 20 tot 30 cent per kWh krijgen. Sterker nog: er zijn oudere systemen die een nog hogere vergoeding krijgen. Toen die systemen gebouwd werden waren de kosten zo hoog en de kosten van een systeem gaan niet meer omlaag als het er eenmaal ligt. De Duitsers steunden zonne-energie al toen stroom uit zonnepanelen nog echt duur was. Hieronder grafiek (bron) met daling van de vergoeding vanaf 2004 toen voor kleine systemen op het dak nog meer dan 57 cent per kWh betaald werd.

EEG vergoeding zonne-energie categorien 2004-2012

Zonnepanelen die nu gebouwd worden in Duitsland kunnen zoals Rozendaal schrijft inderdaad stroom leveren voor 15 à 20 cent per kilowattuur. Sterker nog, de grootste systemen (van duizenden zonnepanelen) kunnen het nu voor 9 cent per kilowattuur. Maar deze nieuwe systemen krijgen natuurlijk geen vergoeding meer op het oude hoge niveau. Ze krijgen een vergoeding op het niveau dat voor dat jaar is vastgesteld voor nieuwe installaties.

Conclusie 2: In het Duitse systeem worden de vergoedingen voor zonne-energie steeds aangepast aan de daadwerkelijke kostprijs van zonnestroom. In Nederland wordt zonne-energie vooral gestimuleerd door ‘saldering’. Als u zonnestroom produceert en deze teruglevert aan het net, wordt dit verrekend met uw elektriciteitsverbruik. Daardoor krijgt u voor elke kWh die u aan het net levert ongeveer 22-23 cent per kWh. Zoals Elsevier ook schrijft heeft minister Kamp al gezegd dat de ‘salderingsregeling’ in de huidige vorm op termijn onhoudbaar is. Aanpassing van de regeling is logisch als zonne-energie steeds goedkoper wordt en op grotere schaal toegepast. 

11. “Bij de zogeheten Energiewende worden alle Duitse kerncentrales uitgeschakeld. De gedachte was dat zon en wind deze leemte zouden vullen, maar dat lukt nog niet en dus worden de (schone) Duitse kerncentrales in de praktijk vervangen door (vieze) steenkool en zelfs (smerige) bruinkoolcentrales”

De figuur hieronder uit de eerder genoemde presentatie van PBL laat zien dat sinds 1990 het aandeel kernenergie in de Duitse stroommix flink is afgenomen en het aandeel duurzame energie sterk is gegroeid. In 2013 dekte duurzame energie in de Duitsland bijna 25% van het nationale stroomverbruik.

Duitse stroommix 2000-2012

De laatste paar jaar is in Duitsland het aandeel van gas in de stroomproductie gedaald en het aandeel van bruinkool en steenkool weer iets gestegen. Dit komt onder andere door de lage CO2-prijs en de lage steenkoolprijs. Zie onderstaande grafiek uit The Economist.

Economist German power production 2003-2013

Conclusie: de laatste paar jaar is het aandeel bruin- en steenkool in Duitsland inderdaad weer enigszins gestegen. Het overheersende beeld over de afgelopen 10-20 jaar is echter vooral een enorme groei van het aandeel duurzaam in de elektriciteitsproductie tot bijna 25% in 2013 en een daling van het aandeel kernenergie en kolen.

12. “[..] technieken zoals kernenergie en schaliegas die hebben bewezen dat ze de uitstoot van het broeikasgas CO2 kunnen reduceren”

Conclusie 1: De CO2-uitstoot van kernenergie over de hele levenscyclus is inderdaad aanzienlijk lager dan van fossiele elektriciteitsproductie, zoals de grafiek hieronder laat zien. De grafiek komt uit rapport van IPCC over duurzame energie. Hier een link naar de samenvatting voor beleidsmakers (die volgens mij uitstekend is). Hier het hele rapport voor wie dat liever leest.

IPCC RES CO2 life cycle emissions summary

Conclusie 2: Van schaliegas is veel minder eenduidig dat het reductie van de uitstoot van broeikasgasssen oplevert. Ten eerste is de vraag waarmee je schaliegas vergelijkt. Als het gebruik van ‘gewoon’ aardgas vervangt, dan is de CO2-uitstoot gelijk en is er geen reductie. Als schaliegas in de plaats komt van kolen, dan is er sprake van CO2-reductie. Daarnaast is er flinke discussie over de vraag hoe groot de uitstoot van methaan (CH4) is bij de winning van schaliegas. Methaan is een veel sterker broeikasgas dan CO2. Als er bij de winning van schaliegas een methaanlekkage is van enkele procenten, dan is de uitstoot van broeikasgassen over de levenscyclus van dezelfde orde als van kolen. Het is kortom erg kort door de bocht om te stellen dat schaliegas heeft bewezen uitstoot van broeikasgas te kunnen reduceren.

13. “Zonnecellen wekken immers alleen stroom op als de zon schijnt. Het elektriciteitsverbruik piekt evenwel in de avond wanneer de zon slaapt”

In de winter is het stroomverbruik vaak inderdaad het hoogst aan de eind van de middag als iedereen thuis komt. Die piek is relatief beperkt vergeleken met het stroomgebruik de rest van de dag. Het stroomgebruik is de hele dag fors hoger dan ’s nachts.

Zonnepanelen produceren in onze streken vooral in de zomerperiode veel stroom. In die periode is de stroomvraag gedurende de dag ruwweg constant en neemt begin van de avond af. De onderstaande figuur (afkomstig van de website Agora-Energiewende) illustreert dat voor 14 januari 2014 en 14 mei 2014 in Duitsland (de rode lijn is het stroomgebruik).

duitsland 13 januari en 13 mei 2014

Conclusie: In tegenstelling tot wat Rozendaal schrijft, valt de stroomproductie van zonnepanelen juist samen met de brede piek in het stroomverbruik.

De onderstaande grafiek van de Duitse brancheorganisatie BSW Solar laat juist zien hoe door de grote hoeveelheid zonne-energie de piek in de stroomprijs sterk verlaagd is tussen 2007 (toen er in Duitsland 3.000 MW zonnepanelen lag) en 2013 (toen het gegroeid was naar bijna 30.000 MW).

effect zonnestroom op duitse stroomprijs piek

Zoals ik eerder schreef is er voor Nederland nauwelijks informatie beschikbaar over de samenstelling van de elektriciteitsproductie op dagbasis. Netbeheerder TenneT publiceert wel informatie over het stroomgebruik op dagbasis. Het verloop van het stroomgebruik in Nederland zag er op 14 januari 2014 en 14 mei 2014 ongeveer net zo uit als het patroon in Duitsland.

NL stroomverbruik 14 januari en 14 mei 2014

De onderstaande grafiek voor Duitsland in 2012 van Fraunhofer-ISE laat zien hoe stroom uit zon en wind elkaar op maandbasis kunnen aanvullen: in de zomerperiode meer zonne-energie en in de winterperiode meer windenergie. (voor de zekerheid: daarmee wil ik niet zeggen dat we op korte termijn kunnen overstappen op zon en wind als enige energiebronnen)

Duitsland wind en zon 2012 per maand

14. “Dit haalt dan wel dat charmante aspect van decentrale opwekking -lekker onafhankelijk van het energiebedrijf en de overheid! onderuit. [..] op het moment dat het aandeel zonnestroom over de drempel van 5 procent gaat, zal de burger toch weer bij de gemeenschap moeten aankloppen om zijn stroom op te slaan.”

Ik ben het met Rozendaal eens dat onafhankelijk worden van het elektriciteitsnetwerk moeilijk en voorlopig behoorlijk kostbaar is. Een huis met zonnepanelen levert ’s nachts geen stroom en in Nederland in de winterperiode de hele dag weinig. Opslag van stroom op kleine schaal is voorlopig nog duur. Het is de komende jaren nog veel aantrekkelijker om stroom vanuit het net te gebruiken op het moment dat uw zonnepanelen niet (voldoende) stroom leveren. Volgens mij heeft dat overigens weinig tot niets te maken met de vraag wat het totale aandeel zonnestroom is.

15. “Het stroomnet kan met fossiele en nucleaire stroom tamelijk simpel uit de voeten. [..] Het is lang van te voren bekend wanneer ze stroom leveren en buiten bedrijf zijn. Zon, en wind nog sterker, daarentegen is notoir wispelturig.” 

De stroomproductie van zonne-energie is afhankelijk van het weer. De voorspellingen vooraf over de hoeveelheid stroom die zonnepanelen kunnen leveren worden steeds beter. De onderstaande grafiek van het onvolprezen Fraunhofer-ISE laat dit zien voor het 2013 in Duitsland. Op de y-as staat de stroomproductie uit zonnepanelen in Duitsland die een dag van tevoren verwacht werd en op de x-as de daadwerkelijke productie. Elke gele stip in de grafiek is een uur. Het is duidelijk te zien dat verreweg de meeste stip liggen rond de diagonale lijn in het midden waarop de daadwerkelijke productie gelijk is aan de verwachte productie.

zon duitsland verwacht en daadwerkelijk 2013

Dat het stroomnet tamelijk simpel uit de voeten kan met fossiele en nucleaire stroom is iets te simpel. Vooral kerncentrales en bruinkoolcentrales kunnen maar zeer beperkt op- en afschakelen. Ze kunnen de variaties in de stroomvraag daarom niet volgen. De onderstaande grafiek (uit andere studie van Fraunhofer-ISE) laat zien dat zelfs bij negatieve stroomprijs die soms in Duitsland optreedt, kerncentrales (de rode stippen) en bruinkoolcentrales (bruinkool) doordraaien omdat ze nauwelijks kunnen terugregelen. Kerncentrales draaiden in 2013 bij negatieve stroomprijzen op 70-80% van het totale vermogen en bruinkoolcentrales op ongeveer 60%.

benuttingsgraad duitse centrales versus stroomprijs

Dat betekent dat kernenergie en kolen ook flexibele bronnen of opslag nodig hebben. In sommige landen met veel kernenergie (Frankrijk bijvoorbeeld) wordt gebruik gemaakt van stuwmeren om overtollige energie ’s nachts-als de stroomvraag laag is- op te slaan. Om die energie dan overdag door middel van waterkracht weer beschikbaar te maken. In veel landen staan naast kern- en kolencentrales flinke hoeveelheden gascentrales om snel meer stroom te kunnen leveren als de vraag toeneemt.

Conclusie: Variabele duurzame bronnen als wind en zon hebben een flexibel elektriciteitssysteem nodig. Het is echter te simpel om te stellen dat kernenergie en fossiel dat niet nodig zouden hebben. Vooral kern- en bruinkoolcentrales zijn weinig flexibel en hebben flexibele bronnen nodig om de variatie in de stroomvraag op te vangen.

16. “Wie eerlijk rekent, komt tot de conclusie dat zonnestroom maatschappelijk pas loont als de prijs zakt tot 1 à 2 eurocent per kilowattuur. Dan is zonnestroom met bijbehorende opslag en versnelde netvernieuwing, werkelijk goedkoper dan bijvoorbeeld nucleaire stroom.”

Het is mij onduidelijk waarop deze ‘eerlijke berekening’ gebaseerd is. Het Internationale Energie Agentschap heeft recent een studie gedaan naar de inpassing van hoge percentages variabele duurzame energiebronnen zoals zon en wind. Uit die studie blijkt dat de totale systeemkosten van stroomproductie (inclusief de kosten van de duurzame energie) bij een aandeel van 45% variabele bronnen 40% hoger zijn als het systeem niet wordt aangepast. Als het elektriciteitssysteem wordt aangepast door de vraag naar stroom sterker te laten reageren op het aanbod en de prijs (‘Demand Side Integration’), opslag en een flexibeler productiesysteem stijgen de totale kosten maar 10-15%.

iea cost of integration

Bij punt 4 zagen we dat stroom uit de nieuwe Britse kerncentrale 11 cent per kWh moet gaan kosten (plus inflatiecorrectie), terwijl we bij punt 10 zagen dat grootschalige zonne-energiesystemen in Duitsland nog maar 9 cent per kWh krijgen.

Conclusie: Het lijkt er sterk op dat Rozendaal de inpassingskosten van zonne-energie overschat en/of uitgaat van inpassing zonder het elektriciteitssysteem flexibeler te maken. Het lijkt er sterk op dat stroom uit grootschalige zonne-energiesystemen nu al goedkoper is dan uit een nieuwe kerncentrale zoals die in Engeland gepland is.

17. “Maar dan nog is het een illusie om te denken dat de zon van vandaag op morgen in staat zal zijn om fossiele brandstoffen en kernenergie te vervangen. Dat duurt nog wel een eeuw, als het al gaat lukken.”

Hier is de windmolen waartegen Simon Rozendaal vecht. Bij punt 1 zagen we al dat eigenlijk niemand beweert dat we van vandaag op morgen alle fossiele brandstoffen en kernenergie kunnen vervangen door de zon.

Er zijn wel studies gedaan die kijken naar het omschakelen naar 100% duurzame energie. Bijvoorbeeld The Energy Report van WWF en Ecofys waarin beschreven wordt hoe de hele wereld in 2050 voorzien zou kunnen worden met duurzame energie. Zoals u hieronder kunt zien zet dat rapport niet alleen in op zonne-energie, maar op een breed scala aan duurzame energiebronnen waaronder wind, golf&getijde, aardwarmte, waterkracht en biomassa.

energy vision wwf ecofys energy supply 2000-2050

Er is niet één energiebron die alleen ons totale energiegebruik kan dekken. We zullen altijd een mix nodig hebben. En die mix zal paar regio verschillen. Er is veel gedacht en geschreven over hoe die mix eruit kan zien en in veel landen wordt hard gewerkt aan meer duurzame energie in de mix. Zonne-energie kan daarbij een belangrijke rol spelen. Maar zon kan het inderdaad niet alleen. Maar dat wist u al voordat u het artikel van Simon Rozendaal las.

Factcheck van ‘Stoppen met windmolens’ van Vermeend & van der Ploeg

Op 25 januari publiceerde de Telegraaf een artikel van Willem Vermeend en Rick van der Ploeg met de titel ‘Stoppen met windmolens‘. Hieronder een factcheck van 10 uitspraken uit het artikel.

1.    Vermeend en van der Ploeg suggereren dat het Europese klimaatbeleid is doorgeschoten en andere landen niet investeren in duurzame energie.

Feit: De landen met de grootste hoeveelheid duurzame energie waren eind 2012: 1) China, 2) Verenigde Staten, en 3) Duitsland. Bron: REN, ‘Renewables 2013: Global Status Report’

renewable energy countries 2012 REN

Conclusie: Duurzame energie is geen Europese hobby maar een wereldwijde trend.

Naschrift: [28 jan 2014] in sommige reacties op deze factcheck wordt erop gewezen dat in de grafiek hierboven het absolute windvermogen in een aantal landen staat. Vermeend en van der Ploeg stellen dat Nederland of Europa de enige zou zijn die inzet op windenergie (zie ook uitspraak 10 hieronder). Dat is hiermee weerlegd. Wie wil weten hoeveel windenergie er in verschillende landen staat per inwoner of per km2, zie aparte blog.

2.    Vermeend en van der Ploeg: ‘Zelfs Duitsland [..] heeft recent besloten de subsidiekraan [voor duurzame energie, JV] dicht te draaien omdat de kosten uit de hand zijn gelopen en er steeds meer twijfel is ontstaan over de effectiviteit.

Feit: Ook de nieuwe Duitse regering heeft in het regeerakkoord ambitieuze doelstellingen opgenomen voor duurzame energie. Afgelopen jaar was ongeveer 25% van de Duitse stroomproductie duurzaam. In 2025 moet dat 40-45% zijn en in 2035 maar liefst 55-60%.

Feit: Het Duitse subsidiesysteem wordt aangepast, maar van het stopzetten van de stimulering van duurzame energie is absoluut geen sprake. De nieuwe Duitse regering wil jaarlijks tot 2500 MW wind op land bijbouwen (meer dan de totale capaciteit in Nederland op dit moment). Bovendien moet er in 2020 6500 MW wind op zee staan en in 2030 15.000 MW. Bron voor beide feiten: Website van de Duitse regering ‘Kosten remmen, uitbouw zeker stellen’

Conclusie: Duitsland past het duurzame energiebeleid aan, maar de suggestie dat duurzame energie of windenergie in Duitsland niet meer gesteund zou worden slaat de plank ver mis.

3.    Vermeend en van der Ploeg: energie-intensieve bedrijven in de EU kunnen door de steeds hogere kosten om de CO2-uitstoot terug te dringen steeds moeilijker concurreren met bijvoorbeeld Amerikaanse ondernemers die het voordeel hebben van lage energieprijzen die fors zijn gedaald door de winning van schaliegas.

Feit: energie-intensieve bedrijven in Europa die concurreren op de wereldmarkt krijgen een groot deel van hun CO2-rechten gratis. Daarnaast hebben veel bedrijven door de economische crisis minder CO2 uitgestoten waardoor ze gratis CO2-rechten uit de vorige periode hebben overgehouden. Tot slot is de CO2-prijs in Europa door de crisis veel lager dan eerder verwacht werd. Bron: Europese Commissie over ‘Carbon Leakage’

Feit: in zowel Duitsland als Nederland  wordt de zware industrie verregaand vrijgesteld van financiële bijdrage aan duurzame energie. Grootverbruikers betalen daar nauwelijks voor. Grootverbruikers profiteren wel van de lagere stroomprijs op de groothandelsmarkt doordat de marginale kosten van wind- en zonne-energie vrijwel nul zijn als de installaties er eenmaal staan. Zie de figuur hieronder. Bron: Onderzoek van PWC naar de stroomprijs in Nederland en Duitsland in opdracht van het ministerie van Economische Zaken

stroomprijs grote grootverbruikers NL en D PWC 2013 year-ahead en spotmarkt

Feit: de gasprijs in Amerika is inderdaad door de grootschalige winning van schaliegas fors lager dan in Europa.

Conclusie:  de energie-intensieve industrie in Europa wordt inderdaad geconfronteerd met fors hogere energieprijzen dan in Amerika. De oorzaak daarvan ligt vooral in de grootschalige winning van schaliegas in de VS. Het Europese klimaatbeleid heeft er nauwelijks mee te maken en  de groei van duurzame energie levert de zware industrie feitelijk zelfs een kostenvoordeel op.

4.    Vermeend&vdPloeg: ‘Over de uitvoering, de effectiviteit en kosten van het Energieakkoord werd vorig jaar nauwelijks gesproken.’

Feit: Het Energieakkoord beschrijft in 146 pagina’s in aanzienlijk detail de maatregelen die zijn afgesproken. Direct na de ondertekening van het akkoord is door de betrokken partijen een lijst opgesteld met de acties die nodig zijn om de afspraken uit het Energieakkoord te realiseren.

Feit: Wie de kranten heeft gelezen weet dat de kosten een grote rol speelden tijdens de onderhandelingen over het Energieakkoord. Dat was een van de belangrijkste redenen om het doel van 16% duurzame energie te verplaatsen van 2020 (Regeerakkoord) naar 2023 (Energieakkoord).

Feit: het ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland) en PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) hebben tijdens de onderhandelingen over het Energieakkoord steeds berekeningen gemaakt over de effectiviteit en kosten van de verschillende voorstellen. Bij de ondertekening van het Energieakkoord zijn de rapporten van ECN en PBL gepubliceerd. Op dat moment werd ook het rapport van het EIB (Economisch Instituut voor de Bouw) over de macro-economische doorwerking gepubliceerd.

Feit: het Energieakkoord is op het punt van duurzame energie deels een invulling van de afspraken uit het Regeerakkoord. De financiering van duurzame energie loopt via de zogenaamde SDE+-regeling. Bij de behandeling daarvan begin 2013 heeft minister Kamp de Tweede Kamer uitvoerig geïnformeerd over de kosten van duurzame energie. Zie mijn eerdere blog hierover.

Conclusie: de kosten en effectiviteit van de maatregelen waren nadrukkelijk onderwerp van gesprek tijdens de onderhandelingen over het Energieakkoord. Het Energieakkoord werd doorgerekend door 3 gerenommeerde instituten. Al in januari 2013 informeerde minister Kamp de Tweede Kamer over de kosten van de duurzame energiedoelstelling van 16% in het Regeerakkoord. Voor alle uitgaven door de overheid geldt overigens uiteraard dat ze pas gedaan kunnen worden na goedkeuring door het parlement en niet ‘simpelweg’ door afspraken in het Energieakkoord.

5.    Vermeend&vdPloeg: zelfs in ons land is zonne-energie de toekomst; door technologische ontwikkelingen neemt het rendement toe en ook de kosten worden lager.

Feit:  In het verleden waren velen (inclusief ikzelf) sceptisch over de door sommigen voorspelde razendsnelle kostendaling van zonne-energie. Maar de kosten van zonne-energie zijn de afgelopen jaren inderdaad spectaculair gedaald en de verwachting is dat die daling nog verder door zal zetten. Ook in Nederland is zonne-energie een aantrekkelijke vorm van duurzame energie. Op dit moment is stroom uit een zonnepaneel op het dak van een huis al goedkoper dan de stroom voor een huishouden uit het netwerk kost.

Feit: De totale bijdrage van zonne-energie zal in Nederland de komende jaren nog bescheiden blijven. volgens ECN kan zonne-energie in 2020 0,6% duurzame energie leveren. Volgens Greenpeace -toch meestal behoorlijk optimistisch over duurzame energie- is het mogelijk om met zonne-energie in 2020 1,4% van het Nederlandse energiegebruik te dekken.

Feit: Zonne-energie in Nederland is op dit moment niet of nauwelijks goedkoper dan wind op zee. Volgens ECN kost windenergie op land in Nederland op dit moment afhankelijk van de locatie 7-9 cent per kWh en grootschalige zonne-energie 15 cent per kWh. Volgens Natuur&Milieu kost zonnestroom uit een kleinschalige installatie op uw eigen huis 22,5 cent per kWh. Volgens dezelfde ECN studie kost wind op zee 16 cent per kWh.

Conclusie: Zonne-energie is in de komende periode hoogstwaarschijnlijk geen goedkoper alternatief voor wind op zee.

6.    Vermeend&vdPloeg: ‘Kamp heeft in de regeling wel een ontsnappingsclausule ingebouwd door te bepalen dat de windmolens de komende tien jaar geleidelijk aan 40 procent goedkoper moeten worden. Ook daalt de subsidie naarmate de stroomprijs daalt, maar daarvan is nog geen sprake.’

Feit: In de afgelopen jaren is het totale wereldwijde vermogen van zowel wind op land als zonne-energie de 100.000 MW gepasseerd. Beide duurzame energietechnologieën hebben een sterke kostendaling laten zien. Wereldwijd heeft de totale hoeveelheid wind op zee de 10.000 MW nog niet bereikt. Deze technologie is nog minder ver ontwikkeld en minder toegepast dan wind op land en zonne-energie. Het ligt voor de hand dat de kosten ook voor deze technologie verder omlaag gaan als het op grotere schaal wordt toegepast.

Feit:  Verlaging van de kostprijs van wind op zee is geen uniek Nederlands idee.  Een Engelse studie van de Crown Estate laat zien dat 39% kostenreductie mogelijk is in de periode 2011-2020). Een Duitse studie kwam uit op een mogelijke kostenreductie van 32-39% voor 2013-2023.

Conclusie:  De verlagen van de kosten van wind op zee is geen vrijblijvende afspraak of ontsnappingsclausule, maar harde voorwaarde. In het Energieakkoord is per jaar vastgelegd wat de maximale kostprijs van wind op zee mag zijn. Studies in andere landen laten vergelijkbare kostenreducties zien voor de komende tien jaar.

 7.    Vermeend&vdPloeg: ‘Bovendien zal verreweg het grootste deel van dit bedrag terecht komen bij buitenlandse fabrikanten van windmolens.’

Feit: Volgens Roland Berger is 25% van de totale kosten over de hele levensduur voor windparken op zee voor de windturbines (WTG=Wind Turbine Generator) die inderdaad op dit moment niet of nauwelijks in Nederland gemaakt worden. Bron: Roland Berger studie.

Feit: Bij veel van de andere onderdelen van windenergie op zee –zoals funderingen, installatie op zee en het leggen van kabels- hebben Nederlandse bedrijven internationaal een leidende positie. In 2010 haalden Nederlandse bedrijven al een omzet van meer dan 1 miljard euro uit wind op zeeprojecten in het buitenland. Bron: Sectoronderzoek AgentschapNL

Conclusie: de windturbines die op dit moment inderdaad in het buitenland gefabriceerd worden zijn verantwoordelijk voor 25% van de totale kosten. Bij veel van de andere onderdelen van windparken op zee hebben Nederlandse bedrijven internationaal een leidende positie.

 8.    Vermeend&vdPloeg: ‘Nog los van de andere nadelen die aan windenergie kleven, zoals horizonvervuiling’

Feit&conclusie: Het artikel gaat over wind op zee. Als windparken op zee buiten de zogenaamde 12-mijlszone gebouwd worden, zijn ze niet of nauwelijks zichtbaar. Dat is juist een van de grote voordelen van wind op zee in vergelijking met wind op land.

 9.    Vermeend&vdPloeg: ‘We zitten straks opgescheept met bijna duizend dure windmolens, terwijl elders in de wereld, gebruik wordt gemaakt van de modernste rendabele zonne-energie.’

Feit&conclusie: De landen met de grootste hoeveelheid windenergie eind 2012 waren: 1) China, 2) Verenigde Staten, 3) Duitsland, 4) Spanje en 5) India. Ook windenergie is geen Nederlandse of Europese hobby maar een wereldwijde trend. Bron: REN, ‘Renewables 2013: Global Status Report’

10. Vermeend&vdPloeg: ‘Daarnaast moeten ook betere alternatieven worden bezien zoals een stimulans voor een grootscheepse energiebesparing bij burgers en bedrijven. Elke euro die daaraan wordt uitgegeven heeft voor de groei van onze economie en werkgelegenheid een veel hoger rendement dan euro’ s die aan windparken worden besteed.’

Feit&conclusie: investeren in energiebesparing is inderdaad een kosteneffectief en onmisbaar onderdeel van een meer duurzaam energiesysteem. En maakt ons ook minder afhankelijkheid van (de import van) fossiele brandstoffen. Het mes snijdt bij energiebesparing aan twee kanten: het reduceert het energiegebruik en de kosten daarvan en tegelijkertijd is er minder duurzame energie nodig om de doelstelling van 14% te halen. Ook voor huishoudens of bedrijven is dit een uitstekende manier om de rekening van duurzame energie te beperken. Door energiebesparing gaat uw energierekening omlaag en tegelijk zijn er minder windparken nodig om het doel te halen.

Rapport van de Groene ‘Rekenkamer’ over de kosten van duurzame energiebeleid

Op 5 juni publiceerde de Groene ‘Rekenkamer’ een rapport met de titel ‘Windenergie in Nederland: de kosten en baten’. Dat rapport gebruikt de Groene ‘Rekenkamer’ nu als onderbouwing van de suggestie dat het SER Energieakkoord u €100 per maand zou gaan kosten. Het rapport is brandhout (en dat zeg ik niet snel). Hieronder mijn analyse van het rapport op 8 juni in 14 twitterberichten (met een paar toevoegingen en enige redactie voor de leesbaarheid):

  1. Ha, nieuw rapport Groene Rekenkamer. Eindelijk kosten en baten windenergie op een rij gezet.
  2. “Dan zeggen we: een huishouden betaalt in 2020 €63 per maand energiebelasting. Dan lijkt het alsof dat allemaal naar windmolens gaat” #GroeneRekenkamer
  3. “En dan tellen we daar de kosten van windmolens op zee van het SER Nationaal Energieakkoord bij op. En dan nog een keer voor wind op zee.” (zie p.5)
  4. Diepe zucht.
  5. Laat ik duidelijk zijn: Het is belangrijk om een goede discussie te voeren over kosten van (duurzame) energie. Het rapport van de Groene ‘Rekenkamer’ raakt helaas kant noch wal.
  6. Gelukkig doet het parlement haar huiswerk wel en staan de kosten van duurzame energie op verzoek van de 1e en 2e Kamer keurig op een rij.
  7. Allereerst: De opbrengst van de energiebelasting gaat in staatskas (en niet naar windmolens zoals de Groene ‘Rekenkamer’ suggereert). Daardoor is de belasting op arbeid en winst lager dan als er geen energiebelasting zou zijn.
  8. Minister Kamp stuurde de Eerste Kamer een keurig overzicht van de subsidie-uitgaven en belastinginkomsten gerelateerd aan energie. [De suggestie van de Groene ‘Rekenkamer’ dat “door alle partijen angstvallig vermeden wordt openlijk te zeggen” wat de lasten van duurzame energie de komende jaren zullen zijn lijkt me dan ook niet terecht]
  9. Het budget voor duurzame energie ligt vast in het Regeerakkoord. Het loopt op van €900 miljoen in 2013 tot €3,8 miljard in 2020 [cijfers in de tabel in miljoen euro’s uit brief van minister Kamp aan de Tweede Kamer]:Image
  10. De minister heeft de kosten van de opslag om duurzame energie te stimuleren via de SDE+ voor huishoudens, bakkers, groothandels etc. keurig op een rij gezet [dit zijn de geraamde kosten per jaar] :kosten SDE plus tm 2031 status december 2012
  11. Het budget voor duurzame energie gaat niet alleen naar windenergie, maar ook naar biomassa, aardwarmte, waterkracht en zon. Hieronder de projecten die in 2012 subsidie toegezegd gekregen hebben (wordt pas uitbetaald als ze daadwerkelijk duurzame energie leveren). [Om de komende jaren de duurzame energiedoelstelling te halen zal een veel groter deel naar windenergie moeten gaan volgens het ECN]Image
  12. Bij start onderhandelingen SER energieakkoord maakte het Kabinet duidelijk: de financiële kaders van het Regeerakkoord zijn leidend 
  13. Het gesprek in SER over duurzame energie gaat niet over méér duurzame energie, maar over de invulling van het kabinetsdoel van 16% in 2020 binnen het SDE+ budget.
  14. En dat we meer gaan investeren in duurzame energie wellicht niet zo heel gek als je naar onze achterstand kijkt.. [bron: Eurostat]Image